De inwoners van de Gazastrook leven in een humanitaire rampzone. Deze volledig door de mens veroorzaakte ramp is een direct gevolg van het Israëlische beleid, dat tot op de dag van vandaag bepaalt hoe het dagelijks leven in Gaza eruitziet. Dit harteloze en onrechtvaardige beleid veroordeelt de bijna twee miljoen inwoners van de Gazastrook tot een leven in schrijnende armoede onder bijna onmenselijke omstandigheden die in de westerse wereld niet meer voorkomen. In getuigenissen die zijn verzameld door de veldonderzoekers van B’Tselem, beschrijven inwoners van de Gazastrook hun leven, de dromen die ze niet zullen kunnen verwezenlijken, de medische aandoeningen die ze niet kunnen behandelen, de voortdurende scheiding van familie en vrienden buiten de Gazastrook, en het ondraaglijke lijden dat hun opsluiting in de Gazastrook veroorzaakt, zonder enige hoop op verbetering.
Hieronder een voorbeeld van een getuigenis van Almaza a-Sultan een 46-jarige moeder van vijf kinderen uit Beit Lahiya, beschreef de ontberingen van de ontheemding, de barre omstandigheden in vluchtelingenkampen en in de tenten, het verlies van haar zus bij een bombardement en de specifieke moeilijkheden waarmee vrouwen momenteel in Gaza te maken hebben:

Voor de oorlog woonde ik met mijn man, Ziad (51), en onze vijf kinderen, Nur (19), Qays (18), Aya (14), Nasmah (12) en Bilal (9), in de wijk a-Salatin in Beit Lahiya. Ziad werkte als boer op het familieland en ik deed administratief werk voor de gemeente Jabalya en organisaties zoals Islamic Relief en Save the Children. In 2003 ontdekte ik een knobbel in mijn borst. Ik werd geopereerd om de knobbel te verwijderen, die gelukkig goedaardig bleek te zijn. Ik word nauwlettend gevolgd en ga elke zes maanden op controle, maar sinds het begin van de oorlog heb ik de medische controles verwaarloosd en geen onderzoeken laten doen.

Almaza a-Sultans echtgenoot Ziad en hun zoon Bilal in hun tuin, voordat hun huis werd verwoest. Foto met dank aan a-Sultan.
Mijn man heeft sinds 2007 kanker. In 2008 is hij in Egypte geopereerd om een tumor in zijn schildklier, in zijn nek, te verwijderen. Hij heeft ook een oude verwonding aan zijn linkerbeen, veroorzaakt door platinafragmenten die erin terechtkwamen bij een ongeluk in 2012. Ondanks de gezondheidsproblemen hadden we een goed leven. Ik stond ’s ochtends vroeg op en ontbeet met mijn kinderen voordat ze naar school gingen. Als ze terugkwamen, aten we ook samen de lunch en hielp ik ze met hun huiswerk. ’s Avonds brachten we tijd samen door en aten we met het hele gezin. Tijdens de Ramadan en de feestdagen bezochten we onze families en heerste er een sfeer van geluk en vreugde. Als mijn ouders op bezoek kwamen, voelden ze zich altijd alsof ze op vakantie waren.
We woonden in een huis met twee verdiepingen en een groot stuk grond met olijfbomen, vijgenbomen, wijnranken en groenten. Mijn man en ik hadden een eigen kamer, de kinderen hadden ook hun eigen kamers, en we hadden een woonkamer en twee badkamers. Ons huis is in het verleden twee keer gebombardeerd: tijdens de oorlog van 2014, toen het gedeeltelijk werd verwoest en we het hebben gerestaureerd, en tijdens de oorlog van 2021, toen het volledig werd verwoest en we het moesten herbouwen.
We hadden de bouw van ons nieuwe huis afgerond en waren er vier maanden voor het uitbreken van de oorlog op 7 oktober 2023 ingetrokken, waardoor we dakloze ontheemden werden.

Het huis van Almaza a-Sultan voordat het werd verwoest tijdens de aanval op Gaza.
Op de ochtend van 7 oktober, terwijl de kinderen zich klaarmaakten om naar school te gaan, hoorde ik explosies, maar ik dacht er niet veel van. De kinderen gingen wel naar school, maar kwamen al snel terug, geschrokken van de heftigheid van de explosies. Toen besefte ik dat er een nieuwe oorlog was begonnen. Een uur later verlieten we het huis, omdat het in een gevaarlijk gebied ligt, in het noordwesten van de Gazastrook, omringd door landbouwgrond. We pakten koffers in, namen dekens en twee matrassen mee, verlieten het huis en lieten ons mooie leven achter.
We werden naar een school in de buurt van het a-Shifaa-ziekenhuis gebracht, waar we ongeveer anderhalve maand verbleven. Er waren veel ontheemden op de school en het was er vreselijk druk. We woonden in een groot klaslokaal, samen met mijn zwagers en hun gezinnen, zo’n 30 mensen in totaal. De enige scheiding tussen de gezinnen waren schotten die we in het klaslokaal hadden opgehangen. We hadden geen greintje privacy en mijn dochters en ik moesten dag en nacht in onze gebedskleding blijven (bovenkleding die je normaal gesproken buitenshuis draagt).
Er was een ’toilet’-hoek in het klaslokaal, waar we onze behoefte deden in een emmer of zakken, en die werd door iedereen gedeeld. Mijn dochters en ik stookten vuur op de schooltrap om te koken, en ik haalde water voor de kinderen van een nabijgelegen plek.
In november 2023, nadat het Israëlische leger het gebied rond het a-Shifaa-ziekenhuis was binnengevallen, rukte het elke dag beetje bij beetje op richting de school, vanuit verschillende richtingen, totdat het ons bereikte. De tanks vernielden het schoolhek. Eerst mochten we het terrein niet verlaten, en later werden de vrouwen van de mannen gescheiden. Ze stelden de vrouwen aan de ene kant op en bevalen ons naar het zuiden van de strook te gaan, terwijl de mannen aan de andere kant sommigen arresteerden en anderen lieten gaan.
Toen we het klaslokaal verlieten, lukte het me alleen onze kleren mee te nemen. De kinderen en ik gingen niet naar het zuiden zoals ze hadden bevolen, maar in plaats daarvan naar het stadje Jabalya. Toen mijn man zich daar bij me voegde, huurden we een opslagruimte die als schapenstal was gebruikt. We knapten hem op, bedekten de vloer met zand, maakten er een geïmproviseerde badkamer van en bleven er anderhalf jaar.
Daar brachten we de vreselijke hongersnood door aan het eind van 2023. Soms hadden we dagenlang helemaal niets te eten, soms wel vijf dagen achter elkaar. Mijn man en ik gingen soms naar de landbouwgrond in de omgeving om malva en andere planten te plukken, zodat we iets te eten hadden. Mijn man en onze zoon Qays probeerden voedsel te verzamelen dat vanuit vliegtuigen werd gedropt, en met grote moeite lukte het hen om ongeveer twee blikken tuinbonen, twee blikken tonijn en een paar andere etenswaren te bemachtigen. Een kilogram meel kostte in die tijd ongeveer 120 sjekels (~40 dollar), en in plaats van meel moest ik veevoer en dier- en vogelvoer malen om er een beetje brood van te bakken. Ieder van ons kreeg een klein stukje brood. Ik gaf mijn stukje meestal aan Bilal, mijn jongste zoon, en soms was dat alles wat we dagenlang te eten hadden.
Ons lijden was zo groot dat ik zelf naar het distributiepunt op het a-Nabulsi-plein ging om meel te halen, samen met Qays en mijn zus Zuzu (43), die gescheiden is en alleen in Jabalya woont, ook al was het erg gevaarlijk. Op een keer lukte het me om een zak meel van 25 kilo te bemachtigen, en die heb ik twee uur lang op mijn rug gedragen, met de hulp van mijn zus en Qays, tot we bij de opslagruimte van ons huis aankwamen. Dat was een geweldige ervaring.
In die periode knipten mijn dochters en ik ons haar af, omdat er geen schoonmaakmiddelen of shampoo waren en ons haar wemelde van de luizen door de smerige omstandigheden waarin we leefden. De weinige schoonmaakmiddelen en hygiëneartikelen die te koop waren, waren ontzettend duur en we konden ze ons onmogelijk veroorloven. Soms ging mijn man naar gebombardeerde huizen om te zoeken naar voedsel, hygiëneartikelen en schoonmaakmiddelen. Als hij dan terugkwam met een restje zeep en we eindelijk fatsoenlijk konden douchen, in plaats van ons alleen maar even met water te wassen, voelden we ons allemaal als herboren.
Nog iets dat ons veel leed bezorgde, was het gebrek aan reserveondergoed. Ieder van ons had maar één of twee setjes, die we dan wasten en opnieuw droegen. Ik moest ondergoed lenen van mijn zus, die voor de oorlog een dameskledingwinkel had waar ze ook ondergoed verkocht. Ik had ook enorm te lijden onder het gebrek aan maandverband. Ik knipte stukjes stof voor mezelf en mijn dochter, die als vervanging voor maandverband dienden, maar ze veroorzaakten infecties en uitslag die verergerden door het gebrek aan hygiëneproducten.
Bovendien moest ik sinds het begin van de oorlog elke dag een vuur aansteken om te koken en water te verwarmen. Mijn handen en gezicht zijn zwart geworden van het roet dat eraan kleeft, en ik hoest de hele dag door de rook. Ook het servies dat ik gebruik is zwart geworden.
In deze vervloekte oorlog verloren we onze privacy. In de opslagruimte sliepen we allemaal samen in dezelfde ruimte. Ik probeerde wat privacy voor ons te creëren door een scheidingswand te plaatsen zodat we ons konden omkleden, maar dat hielp mijn relatie met mijn man niet. Deze situatie zorgde voor veel spanning tussen ons; We praten eigenlijk niet meer met elkaar, en ik heb het gevoel dat hij meer als een zoon of broer voor me is dan als mijn partner.

Almaza a-Sultan in het leercentrum dat ze heeft opgericht.
Nadat de moeilijke periode van hongersnood voorbij was, rond begin juni 2024, begon ik me wat beter te voelen. Ik keek naar de kinderen om me heen, mijn eigen kinderen en die van andere ontheemde gezinnen, en ik dacht aan het feit dat ze al een heel jaar niet naar school waren geweest. Ik hou heel veel van kinderen en ik werk graag met ze, dus ik zei tegen mezelf: waarom geef ik ze geen les? Ik deelde dit idee met mijn zus Zuzu, en samen gingen we naar verschillende scholen om te vragen of we een of twee klaslokalen mochten gebruiken om de kinderen les te geven. De verantwoordelijken van de scholen weigerden vanwege de enorme overbevolking in de gebouwen en klaslokalen waar de ontheemden waren ondergebracht. Dus huurden mijn zus en ik een stuk grond in de buurt van de stad met geld dat ze had gespaard en zetten daar een grote tent op om de kinderen les te geven.
We begonnen daar les te geven en organiseerden recreatieve activiteiten en psychosociale ondersteuning voor de kinderen. Het project was zeer succesvol: ongeveer 500 kinderen kwamen studeren en 15 leerkrachten meldden zich vrijwillig aan om les te geven. Omdat de tent niet meer dan 500 kinderen kon herbergen, moest ik aanvragen van ouders die hun kinderen wilden inschrijven afwijzen. Zij waren erg teleurgesteld, omdat ze zo graag aan het programma wilden deelnemen. Leerkrachten en vertegenwoordigers van het Ministerie van Onderwijs die ons bezochten, waren enthousiast over het idee en na zes maanden werden er meer van dit soort centra geopend, waardoor onze werklast afnam en de druk op ons verlichtte.
De lessen werden in drie shifts gegeven, één ’s ochtends en twee ’s middags. Met steun van verschillende initiatieven en instellingen konden we bureaus en stoelen kopen. De kinderen waren zo blij. Ze studeerden in het klaslokaal terwijl er bombardementen en angstaanjagende raketten om hen heen klonken. Op die momenten hielden ze hun handen voor hun oren, maar ze gingen niet weg. Soms, als de situatie bijzonder gevaarlijk was, moesten we het centrum een dag of twee sluiten, waarna we de lessen hervatten en gewoon doorgingen.
Ik gaf niet op. Tijdens een van de invallen van het Israëlische leger vernielden de soldaten de tent die ik had opgezet om de kinderen les te geven.
n mei 2024, toen het leger Jabalya binnentrok, werd mijn zus Zuzu naar onze buurt verdreven en kwam ze bij ons in de opslagruimte wonen. Ze ging af en toe met mijn zoon Qays naar haar kledingwinkel om kleding te kopen voor de markt. Ik waarschuwde hen voor het gevaar van de geweerschoten en bombardementen en smeekte hen om niet naar de winkel te gaan, die zich op de begane grond van haar huis in Jabalya bevond. Ze zei dan tegen me: “God zal ons beschermen.”

Almaza a-Sultan (links) met haar zus Zuzu voordat ze werd vermoord.
Op 12 oktober 2024 was Zuzu bij mij in de opslagruimte en nadat we samen hadden geluncht, vroeg ze Qays om met haar mee te gaan naar de winkel om kleding te halen. Ik probeerde haar ervan te overtuigen niet te gaan. Ik zei tegen haar: “Luister eens hoe afschuwelijk het geluid van de raketten is,” maar ze zei alleen “dag dag” tegen me en ging weg. Qays ging niet met haar mee. Kort nadat ze bij de winkel was aangekomen, werd haar huis gebombardeerd, een gebouw van drie verdiepingen, en stortte het op haar in. Toen ik over de bombardementen hoorde, voelde ik meteen dat Zuzu gewond was. Ik rende er snel heen en zag dat het gebouw op mijn zus was ingestort. Op straat werden gewonden naar het ziekenhuis gebracht en ik probeerde het lichaam van mijn zus te bergen, maar het lukte niet. Ik huilde, schreeuwde en riep haar naam.
Toen kwamen er quadcopters en begonnen op ons te schieten. Ik moest wegrennen en mijn zus onder het puin achterlaten. Bovenop het verdriet om haar verlies deed het me enorm veel pijn dat haar lichaam onder het puin begraven lag. Vier maanden lang heb ik gewacht tot het Israëlische leger zich terugtrok, zodat ik haar lichaam kon bergen. Nadat in januari 2025 een staakt-het-vuren was afgekondigd, betaalde ik een jongeman ongeveer 2000 sjekels (circa 650 dollar) om het lichaam terug te halen. Toen ik de toestand van haar lichaam zag, huilde en schreeuwde ik. Daarna heb ik haar begraven op de begraafplaats in Jabalya.
Nadat de oorlog in maart 2025 weer was uitgebroken, leden we opnieuw honger en was de situatie erg moeilijk. Ondanks het gevaar hield ik vol en ging ik niet weg. In die tijd begon mijn zoon, Qays, in zijn eentje naar de distributiecentra voor hulpgoederen in Rafah te gaan. Hij wilde me niet meenemen en mijn man kon niet met hem mee vanwege zijn ziekte en zijn beenblessure. De eerste keer dat Qays naar Rafah ging, vertrok hij ’s ochtends vroeg zonder het me te vertellen en bleef daar de nacht. Toen ik erachter kwam dat hij het huis had verlaten, nam ik aan dat hij hulpgoederen ging halen en maakte ik me grote zorgen om hem. Uiteindelijk kwam hij met lege handen terug.
De tweede keer lukte het hem om wat meel en een paar blikken voedsel mee te nemen. Later begon hij ook naar het gebied te gaan waar de hulpvrachtwagens aankwamen, in de regio a-Sayfa/Zikim, om ons voedsel te brengen. Ik was erg bang voor hem en soms liet ik hem niet gaan. Maar soms stemde ik toe, omdat de honger, die ons bijna fataal werd, zwaarder woog dan mijn angsten. Zo hebben we die periode van hongersnood overleefd.
Op 11 juni 2025 werden de bombardementen heviger. Alleen wij en vier andere gezinnen, waaronder de familie ‘Alush, bleven in de buurt. De familie ‘Alush had een zonne-energiesysteem om telefoons op te laden, en mijn man ging met Qays daarheen om de telefoons op te laden. Juist op dat moment bombardeerde het Israëlische leger hun huis, een gebouw van drie verdiepingen. Het gebouw werd verwoest en ongeveer zestien mensen kwamen om het leven. Mijn man en mijn zoon Qays werden gewond onder het puin vandaan gehaald. Mijn man was gewond aan zijn hoofd, inclusief zijn oren, en had ongeveer vijftig hechtingen nodig, en ook in zijn rug. Hij heeft nog steeds moeite met lopen. Qays had ook wonden aan zijn hoofd die gehecht moesten worden, en granaatscherven hadden zijn benen doorboord. Nadat ze gewond waren geraakt, verlieten we het gebied en trokken we naar het westen van Gaza-stad. Ze werden beiden behandeld in een Koeweits veldhospitaal in de wijk a-Saraya.
We bereikten het havengebied, maar we hadden geen tent. Tenten werden verkocht voor ongeveer 1500 sjekels (ongeveer 490 dollar), en dat geld had ik niet. Toen we uit de opslagruimte werden gezet, namen we nauwelijks iets mee, alleen een paar kleren. We stonden er helemaal alleen voor, zonder dak boven ons hoofd. Ik belde een vriend en hij kocht een tent voor me. We zetten hem op, maar we hadden geen dekens of matrassen, dus sliepen we zonder.
Na ongeveer een maand, toen de bombardementen weer heviger werden, verhuisde ik met mijn man en de kinderen naar het centrum van Gaza-stad. We liepen tot we het vluchtelingenkamp a-Nuseirat bereikten. We vroegen een buurman, die ook naar hetzelfde gebied was verdreven en een vrachtwagen had gehuurd, om onze tent te verplaatsen. We zetten de tent weer op een stoep op en woonden er vier maanden in.
Toen het staakt-het-vuren in oktober 2025 werd afgekondigd, besloten we terug te keren naar het noorden van de Gazastrook. Op 1 november 2025 zijn we naar de kust verhuisd en hebben we een tent opgezet, en daar zijn we sindsdien gebleven. De situatie hier is erg moeilijk en we hebben geen geld. De tent is geen fatsoenlijke plek om te wonen en biedt geen fatsoenlijke voorzieningen voor een normaal leven. Bovendien hebben we allemaal enorm veel last van een gebrek aan privacy. We worden de hele nacht lastiggevallen door muggen. We proberen ze weg te jagen, maar zonder succes, en we krijgen nauwelijks slaap. ’s Morgens worden we ook wakker met vliegen en muggen die in de tent rondzwermen. Ze maken ons leven tot een hel.
Deze oorlog heeft de traditionele rolverdeling tussen vrouwen en mannen vervaagd. We staan allemaal in de rij voor water en eten bij de gaarkeukens; we gaan allemaal op zoek naar brandhout en naar de hulpcentra om eten voor onze kinderen te halen. Vrouwen, zoals ik, steken elke dag een vuur aan om water te verwarmen en te koken. In de schaduw van de oorlog dragen vrouwen een zwaardere last dan vroeger en worden ze gedwongen taken en verantwoordelijkheden op zich te nemen die voorheen als mannelijk werden beschouwd.
Het is nu de gezegende maand Ramadan, een maand waar ik erg van houd. Elke dag word ik wakker en bid ik dat God het ons gemakkelijker zal maken om in ons levensonderhoud te voorzien. We brengen deze maand door in een tent in plaats van in ons huis, waar we vroeger als gezin samen waren en familieleden ontvingen in een feestelijke sfeer. Wat mijn onderwijsproject betreft, kinderen uit de buurt komen naar onze tent en vragen me om hen les te geven zoals ik vroeger deed. Ondanks het ernstige gebrek aan middelen heb ik verschillende leraren een bericht gestuurd dat ik het onderwijsproject wilde hervatten.

Almaza a-Sultan in het leercentrum dat ze heeft opgericht.
Tot mijn grote vreugde stemden ze ermee in om vrijwilligerswerk te doen. Ik heb een alternatieve locatie geregeld en de kinderen komen met matten om op te zitten, want er zijn geen stoelen of tafels. Ik gebruik een oude wandplaat die ik heb gered uit de ruïnes van de grote tent waar we voorheen lesgaven. We hebben momenteel ongeveer 180 leerlingen, verdeeld over twee shifts, ’s ochtends en ’s avonds. De ouders van sommige kinderen die komen, kunnen zich geen schoolspullen veroorloven en luisteren alleen maar naar de lessen. Ik ga door ondanks de beperkte middelen, want zonder steun voor deze kinderen en investeringen in hun opleiding hebben ze geen toekomst.
Ook tieners hebben dit soort steun nodig. Zelfs mijn zoon Bilal, die negen jaar oud is, kan niet lezen en schrijven. Deze generatie staat voor een moeilijke toekomst en een sombere realiteit als ze geen echte kans krijgen om te studeren en zich te ontwikkelen. Als getrouwde vrouw zou ik graag met mijn man in een eigen kamer wonen, of op zijn minst in een eigen tent. Nu zit ik vast in de familietent, verdrietig en constant bezig met de vraag hoe ik de volgende maaltijd voor mijn gezin moet verzorgen. Mijn man is ziek; niets van wat ik wens is binnen handbereik.
Bovenal verlang ik naar mijn huis, om het te zien en erin te wonen. Als we erin slagen om zelfs maar één kamer te bouwen, geeft me dat het gevoel dat ik een eigen huis heb. Op dit moment leef ik in constante angst dat de oorlog weer zal oplaaien en dat ik nog een familielid zal verliezen. Maar bovenal ben ik bang dat de honger zal terugkeren. Sterker nog, ik heb niet het gevoel dat er echt een staakt-het-vuren is. We leven nog steeds in deze ellendige tent en angst achtervolgt ons overal. Van tijd tot tijd horen we de echo’s van explosies en ’s nachts kunnen we niet slapen door de beschietingen. De enige verbetering die ik tot nu toe heb gemerkt, is de levering van hulpgoederen en voedsel.
Ik wil tegen de vrouwen van de wereld zeggen: Wij, de vrouwen van Gaza, hebben enorm geleden in deze oorlog, maar we zijn standvastig gebleven. We hebben op onszelf vertrouwd, de last gedragen en zijn in alle aspecten van het dagelijks leven en in de situaties waarmee we geconfronteerd werden, gelijkwaardig aan mannen geworden. Maar we worden naar de marge gedrukt. Het lijkt alsof niemand iets van ons weet.
Ik roep jullie op om ons bij te staan en ons te steunen. We zijn beroofd van de basis van ons menselijk bestaan. We zijn onze huizen, onze vrijheid en onze privacy kwijtgeraakt. Ons leven zoals we dat kenden, is verwoest. We zijn deze oorlog ontzettend moe. We zijn bijna alles kwijtgeraakt wat we hadden. Zelfs in onze meest elementaire behoeften wordt niet voorzien. Vertel de mensen over ons. Leer meer over wat we hebben meegemaakt en wat we nog steeds meemaken in deze vervloekte oorlog. Jullie stemmen kunnen ons kracht en hoop geven.
* Getuigenis afgelegd aan Olfat al-Kurd, veldonderzoeker in B’Tselem, op 25 februari 2026
bron: https://www.btselem.org/voices_from_gaza/almaza_a_sultan
andere getuigenissen: https://www.btselem.org/voices_from_gaza
